Geschiedenis

De Tuimel

Gezinsbegeleidingscentrum

Gezinsbegeleidingscentrum voor

maatschappelijk kwetsbare gezinnen

met kinderen tussen 0 en 6 jaar

 

Geschiedenis en ontstaan

 

De Tuimel werd in 1990 opgericht om psycho-socio-pedagogische en praktisch-materiële ondersteuning te bieden aan gezinnen met jonge kinderen in problematische opvoedingssituaties.

 

De VZW vond “een partner” in Kind & Gezin en kon zich gedurende deze periode als project ontwikkelen tot een specifiek aanbod voor maatschappelijk kwetsbare, meer specifiek kansarme en generatiekansarme gezinnen.

 

Vanaf de start van het concept werd de doelgroep zelf, de gezinnen in kansarmoede, nauw betrokken bij alle aspecten. Dit is nog steeds een bewuste keuze : wat is de specifieke ondersteuningsvraag van deze gezinnen, hoe moet een opvoedingsondersteunend aanbod er voor deze ouders met hun kleine kinderen uitzien, wat zijn de prioriteiten, de gevoeligheden, de angsten. Naast de grip die het individuele gezin moet kunnen houden op ‘zijn begeleiding’ is het ook belangrijk dat de gezinnen als groep mondig kunnen zijn, het samen nadenken over hulpverlening en hierover in groep praten heeft een emancipatorische werking zowel voor de groep als voor de individuele ouders.

 

Er wordt steeds gestart vanuit de aanwezige krachten (en niet vanuit wat allemaal misloopt).

 

Het feit alleen al van een begeleiding te willen starten op de Tuimel wordt als kracht benoemd, elke stap die gezet wordt, wordt als ‘niet vanzelfsprekend’ gezien, als een inspanning benoemd waarvoor erkenning gegeven kan worden (opstaan, met het kindje naar de Tuimel komen wordt positief benoemd, ook als het later is dan afgesproken en het kind nog niet gegeten heeft en niet gewassen is ..) Ouders met ‘een zwaar persoonlijk rugzakje’ moeten er eerst zelf als persoon mogen zijn voor er ruimte kan komen voor de noodzakelijke goede zorg voor hun kind.

 

De Tuimel is zeker niet blind voor het gevaar om ingezogen te worden, het team ondersteunt de gezinsbegeleiders en bewaakt de maatschappelijke spiegel. We vinden dat het ook tot onze taak behoort om de ouders op de hoogte te brengen van ‘wat maatschappelijk als goede voeding, goede opvoeding’ wordt gezien. Het zeer dicht staan bij de gezinnen en het op alle vlakken met hen in gelijkwaardige dialoog gaan, maakt het juist mogelijk om op een respectvolle manier aan de alarmbel te kunnen trekken wanneer de grenzen overschreden worden en wij denken dat de kinderen toch (tijdelijk) uit huis moeten geplaatst worden.

 

Naast het verbale, het ‘praten over’ staat actie centraal : het samen doen geeft andere mogelijkheden en is een belangrijke hefboom in de begeleiding van gezinnen waar ouders een uitsluitingsgeschiedenis meedragen op veelal alle levensdomeinen.

 

Het samen zorgen voor een groepje kinderen met iemand van de begeleiding wordt op zodanige wijze georganiseerd dat de kans op mislukken nihil is. Elke ouder is wel goed op één of ander vlak en kan iets goed doen met de kinderen (vaak eerst met ‘vreemde kinderen’ die wèl luisteren, of wèl die zelfgemaakte fruitpap willen eten, en later ook met het eigen kind dat in een klein groepje wèl mee speelgoed opruimt als zijn mama dat vraagt)